Gewoon een zaterdag middag langs het veld

Op zaterdagmiddag ga ik regelmatig bij Bas kijken. Hij voetbalt in het tweede elftal van GRC ’14. Meestal weet ik vooraf niet precies wie er langs de lijn zullen staan. Toch kom ik bijna altijd bekenden tegen. Natuurlijk kijken we naar Bas en zijn medespelers, maar ondertussen gaat het gesprek over van alles. Over het dorp, het werk, de familie en uiteraard over het voetbal. Een gemiste kans wordt nog eens beoordeeld, de opstelling wordt besproken en over een beslissing van de scheidsrechter bestaat bijna altijd verschil van mening.

Na de wedstrijd verplaatst een deel van het gezelschap zich naar de kantine. Daar gaat het gesprek gewoon verder. Soms uitgebreid over de wedstrijd, maar minstens zo vaak over alles wat daar niets mee te maken heeft. Juist op zulke momenten merk ik dat een zaterdagmiddag bij de voetbalclub om veel meer draait dan alleen de uitslag. Voor veel dorpen is de voetbalvereniging een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen. Dat begint al bij de jeugd. Ouders staan langs de lijn, draaien bardiensten en rijden met een auto vol kinderen naar uitwedstrijden. Daardoor leren niet alleen de spelers elkaar kennen. Ook tussen ouders ontstaan contacten die soms jarenlang blijven bestaan.

Bij GRC ’14 beperkt het verenigingsleven zich niet tot de wedstrijden. De club organiseert bijvoorbeeld bingo- en feestavonden. Daarmee is de accommodatie niet alleen een plek om te voetballen, maar ook een soort dorpshuis. GRC ’14 ontstond in 2014 uit een fusie tussen VV Giessen en VV Rijswijkse Boys. De vereniging bracht daarmee twee voetbalgeschiedenissen en twee dorpsgemeenschappen bij elkaar. Praktische overwegingen en de toekomstbestendigheid van het voetbal in beide dorpen speelden een belangrijke rol bij die samenvoeging.

Ook voor oudere inwoners blijft de club belangrijk. Wanneer het eerste elftal thuis speelt, komen mensen naar het sportpark die elkaar soms al tientallen jaren kennen. Ze stonden er vroeger misschien zelf op het veld, brachten later hun kinderen naar de training en kijken nu samen naar een nieuwe generatie spelers. De wedstrijd vormt de aanleiding, maar het weerzien is minstens zo belangrijk.

We vinden dat tegenwoordig heel normaal. Op zaterdag worden de voetbaltassen ingepakt, rijden ouders naar uitwedstrijden en ontmoeten supporters elkaar langs het veld. Maar hoe is dat eigenlijk ontstaan? Wanneer werd voetbal een vast onderdeel van het Nederlandse dorpsleven? En was voetbal vroeger werkelijk een sport van gewone arbeiders?

Toen voetbal nog geen voetbal was

Voetbalachtige spelen bestaan al eeuwen. In middeleeuwse steden en dorpen werden wedstrijden gespeeld waarbij grote groepen mensen een bal naar een afgesproken plaats probeerden te krijgen. Het speelveld kon een straat, een weiland of zelfs het hele gebied tussen twee dorpen zijn. Er waren nauwelijks vaste regels. Het aantal deelnemers lag niet altijd vast, het speelgebied was niet duidelijk afgebakend en van een scheidsrechter was meestal geen sprake. Het spel kon uren duren en behoorlijk gewelddadig verlopen.

Het moderne voetbal ontstond pas in het negentiende-eeuwse Engeland. Rond 1850 bestond nog niet één algemeen erkende vorm van het spel. Scholen, universiteiten en plaatselijke clubs hanteerden allemaal hun eigen regels. Op de ene plaats mocht een speler de bal met zijn handen meenemen, terwijl dat ergens anders verboden was. Studenten van de Universiteit van Cambridge probeerden in 1848 gezamenlijke regels op te stellen. In 1858 volgde Sheffield Football Club met een eigen reglement. De beslissende stap kwam in 1863 met de oprichting van de Engelse Football Association. De aangesloten clubs spraken onder meer af dat veldspelers niet met de bal in hun handen mochten lopen. Zo ontstond geleidelijk het onderscheid tussen voetbal en rugby. Dat lijkt nu vanzelfsprekend. We weten precies wat een doelpunt, een vrije trap en buitenspel zijn. Rond 1850 moest echter eerst worden afgesproken welk spel men eigenlijk ging spelen. Voordat twee ploegen aan een wedstrijd konden beginnen, moesten ze soms onderhandelen over de regels.

Hoe het voetbal naar Nederland kwam

Rond 1850 werd in Nederland nog nauwelijks gevoetbald. Er bestaan verhalen dat Engelse arbeiders en handelaren het spel meenamen naar onder meer Enschede, Rotterdam en verschillende kustplaatsen. Harde bewijzen voor georganiseerde wedstrijden uit die tijd zijn er nauwelijks.

Het moderne voetbal kreeg hier pas tegen het einde van de negentiende eeuw werkelijk vaste voet aan de grond. De belangrijkste Nederlandse voetbalpionier was Pim Mulier. Volgens de traditionele geschiedschrijving richtte hij in 1879, toen hij pas veertien jaar oud was, in Haarlem de Haarlemsche Football Club op. Deze vereniging bestaat nog altijd als Koninklijke HFC en geldt officieel als de oudste voetbalclub van Nederland. Daarbij hoort wel een kanttekening. HFC speelde in de eerste jaren waarschijnlijk een spel dat meer op rugby leek dan op het huidige voetbal. Pas rond 1883 schakelde de vereniging over op het zogenoemde association football: de spelvorm waaruit het moderne voetbal is voortgekomen.

Over het precieze oprichtingsverhaal van HFC bestaat onder historici discussie. Het Nationaal Archief en de KNVB houden niettemin 1879 aan als het officiële oprichtingsjaar. Na HFC volgden meer verenigingen. Hercules werd in 1882 in Utrecht opgericht. In 1883 ontstonden onder meer Frisia in Leeuwarden en HVV in Den Haag. Sommige verenigingen begonnen als cricketclub en namen het voetbal later in hun programma op. Sparta, opgericht in 1888, is tegenwoordig de oudste Nederlandse voetbalclub die ook in het betaald voetbal heeft gespeeld.

Eerst een sport voor jonge heren

Voetbal wordt tegenwoordig vaak gezien als een volkssport. In bijna ieder dorp ligt een voetbalveld en voor een partijtje zijn weinig hulpmiddelen nodig. Een bal, twee geïmproviseerde doelen en een aantal spelers zijn in principe voldoende. Toch was het georganiseerde voetbal in Nederland aanvankelijk zeker geen sport van de armen. Het Nationaal Archief typeert het vroege voetbal als een sport voor “jonge heren”.

De eerste spelers waren voornamelijk scholieren, studenten en zonen uit welgestelde families. Zij beschikten over de tijd en het geld om een bal en sportkleding te kopen. Bovendien konden zij voor wedstrijden naar andere steden reizen. De clubnamen en voetbaltermen waren meestal Engels. Men sprak over een match, een goal, forwards en backs. Voor arbeiders was deelname veel moeilijker. Zij maakten lange werkdagen en werkten doorgaans zes dagen per week. Ook de zaterdagmorgen was een gewone werkmorgen.

Tussen 1905 en 1914 kwam volgens sporthistorisch onderzoek 81 procent van de spelers van het Nederlands elftal uit de hoogste maatschappelijke groepen. Slechts vier procent had een volkse achtergrond. Het vroege Nederlandse voetbal was dus eerder een elitesport dan een arbeiderssport. Dat veranderde pas in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Steeds meer arbeiders, ambachtslieden en jonge mannen uit dorpen en stadswijken gingen voetballen. Vanuit kerken, scholen, bedrijven, buurten en vriendengroepen werden nieuwe verenigingen opgericht.

Vooral tijdens en na de Eerste Wereldoorlog groeide voetbal in Nederland uit tot een echte volkssport.

Van losse wedstrijden naar een competitie

In de beginjaren speelden clubs voornamelijk losse wedstrijden tegen elkaar. Er bestond nog geen vast programma en verenigingen moesten onderling afspreken wanneer en waar zij zouden spelen. Een landelijk competitiesysteem zoals we dat nu kennen, was er niet. In het seizoen 1888-1889 speelden zeven clubs uit Amsterdam, Den Haag, Haarlem en Rotterdam een eerste gezamenlijke competitie. Deze reeks wedstrijden zou later bekendstaan als de Eerste Klasse West. Concordia uit Rotterdam behaalde de beste resultaten, maar van een officieel landskampioenschap was nog geen sprake. Niet alle clubs speelden evenveel wedstrijden en er bestond nog geen landelijke voetbalbond die alles centraal organiseerde.

Dat veranderde op 8 december 1889. Op initiatief van Pim Mulier werd de Nederlandsche Voetbal- en Athletische Bond opgericht, de voorloper van de huidige KNVB. In het seizoen 1889-1890 begon de nieuwe bond de westelijke competitie daadwerkelijk te structureren. Het bestuur wees zes verenigingen aan voor de Eerste Klasse: RAP en VVA uit Amsterdam, HFC en Excelsior uit Haarlem, HVV uit Den Haag en Concordia uit Rotterdam.

Een overwinning leverde twee punten op en een gelijkspel één punt. De organisatie was nog niet perfect. Verenigingen maakten veel afspraken zelf en niet iedere club speelde hetzelfde aantal wedstrijden. Toch vormde deze competitie het begin van het Nederlandse competitiesysteem. De eerste gezamenlijke competitie werd dus in 1888-1889 gespeeld. De eerste competitie die door de voorloper van de KNVB werd gestructureerd, volgde in het seizoen 1889-1890.

In 1895 werd de atletiek binnen de bond losgelaten en ging de organisatie verder als de Nederlandsche Voetbalbond. In 1929 kreeg de bond het predicaat Koninklijk. Vanaf dat moment was er officieel sprake van de KNVB. Aanvankelijk kwamen vrijwel alle deelnemende clubs uit het westen van het land. Daarna werden ook in andere delen van Nederland regionale competities gevormd. In 1894 vatte Haarlem’s Dagblad die ontwikkeling samen met de woorden:

“De competitie is over het geheele land verdeeld.”

In het krantenbericht werden verschillende districten genoemd: één voor clubs uit Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland, een tweede voor Brabant en een deel van Gelderland en een derde voor Zuid-Holland. Binnen enkele jaren was het Nederlandse voetbal veranderd van een verzameling losse wedstrijden in een netwerk van verenigingen en regionale competities.

Eerst werken, daarna voetballen

De groei van het voetbal hing nauw samen met de geleidelijke verkorting van de werkweek. Veel arbeiders bleven op zaterdagmorgen werken, maar kregen later op de dag vrij. De zaterdagmiddag ontstond zo als een herkenbaar moment voor sport en ontspanning. In Engeland groeide de vrije zaterdagmiddag al in de tweede helft van de negentiende eeuw uit tot de vaste voetbaltijd. Ook in Nederland werd het later heel gewoon om na het werk naar de plaatselijke club te gaan.

De zaterdag begon op het land, in de winkel, de werkplaats of de fabriek. Daarna kleedde men zich om en ging men zelf voetballen of langs het veld staan. Wie niet speelde, ontmoette er collega’s, familieleden, buren en vrienden. De vrije tijd was beperkter dan tegenwoordig. Juist daardoor kreeg de zaterdagmiddag een bijzondere betekenis. Het was een van de momenten waarop mensen uit hun dagelijkse werkritme konden stappen en gezamenlijk iets konden beleven. Voetbal bood ontspanning en spanning, maar ook regelmaat. De wedstrijd stond op een vast tijdstip gepland. Dezelfde mensen kwamen iedere week of om de twee weken naar hetzelfde veld. Zo ontstond vanzelf een gemeenschap rond de club.

De club werd onderdeel van het dorp

Toen steeds meer mensen gingen voetballen, veranderde ook de betekenis van de vereniging. Een voetbalclub was niet langer alleen een groep spelers die af en toe een wedstrijd organiseerde. Er kwamen besturen, commissies, trainers, vrijwilligers en supporters. In een historische beschrijving over de voetbalvereniging van Lexmond werd aan het begin van de jaren dertig geschreven dat de club:

“Een steeds grooter plaats – althans eervoller – in het vereenigingsleven gaat innemen.”

Die oude formulering laat mooi zien wat er gebeurde. De voetbalclub kreeg een vaste plaats binnen de gemeenschap. Mensen ontmoetten elkaar, vrijwilligers kregen verantwoordelijkheden en een thuiswedstrijd werd een gebeurtenis waarbij een groot deel van het dorp betrokken was.

In een Nederlandstalig voetbaljubileumboek uit 1934 werd beschreven hoe door sport:

“Egoïsme plaats maakt voor een gevoel van saamhoorigheid, van kameraadschap.”

De woorden kwamen uit de toenmalige Nederlandse voetbalwereld in Nederlands-Indië, maar verwoorden een verenigingsideaal dat ook in Nederland herkenbaar was. Een speler moest niet alleen voor zichzelf spelen. Hij moest samenwerken en verantwoordelijkheid dragen voor het elftal en de vereniging. Dat gold ook voor de mensen buiten het veld. Iemand moest de lijnen trekken, de kleedkamers onderhouden, de contributie innen en de jeugd begeleiden. Een club kon alleen blijven bestaan wanneer leden en inwoners bereid waren samen iets op te bouwen.

De middenstand langs het veld

Bij die ontwikkeling ging ook de lokale middenstand een belangrijke rol spelen. De reclameborden langs een voetbalveld vertellen eigenlijk een tweede verhaal over het dorp. Daarop staan de namen van aannemers, garagebedrijven, winkels, horecazaken, transportbedrijven en andere ondernemers uit de omgeving.

Hun sponsoring helpt de vereniging bij het kopen van tenues en trainingsmaterialen, het onderhouden van de accommodatie en het organiseren van activiteiten. Bij een dorpsclub kan een bijdrage van een plaatselijke ondernemer direct zichtbaar resultaat opleveren. Een jeugdteam krijgt nieuwe shirts, een toernooi kan doorgaan of een deel van het clubgebouw wordt opgeknapt. De relatie werkt ook andersom. Een ondernemer steunt niet alleen de vereniging, maar laat tegelijkertijd zien dat zijn bedrijf deel uitmaakt van de gemeenschap. De leden herkennen de naam langs het veld en komen die ondernemer later weer tegen in het dorp.

Sponsoring is daarom meer dan reclame. Het is een vorm van wederzijdse betrokkenheid. De voetbalclub draagt bij aan de leefbaarheid van het dorp en de lokale middenstand helpt de vereniging voortbestaan.

Hoe zou een voetballer van vroeger naar onze zaterdag kijken?

Hoe zou een voetballer uit 1890 naar een zaterdag bij GRC ’14 kijken?

Hij zou zich waarschijnlijk verbazen over het kunstgras, de verlichting, de moderne voetbalschoenen en het grote aantal jeugdteams. Dat meisjes en vrouwen vanzelfsprekend lid kunnen worden, zou voor hem helemaal bijzonder zijn. Ook een kantine, kleedkamers met douches, een digitaal wedstrijdprogramma en ouders die met de auto naar uitwedstrijden rijden, waren in zijn tijd onvoorstelbaar.

Maar hij zou ook veel herkennen.

Twee elftallen die samen een wedstrijd spelen. Mensen die langs de lijn commentaar leveren. Vrijwilligers die ervoor zorgen dat alles doorgaat. Een plaatselijke ondernemer die de club ondersteunt. Spelers die na afloop samen iets drinken en supporters die nog lang over een gemiste kans praten. Misschien zou hij zelfs herkennen dat de wedstrijd niet het enige belangrijke onderdeel van de middag is. Het gaat ook om het weerzien, de gesprekken en het gevoel ergens bij te horen.

Terug naar Bas en GRC ’14

Wat meer dan een eeuw geleden ontstond, herken ik op zaterdagmiddag bij GRC ’14 nog altijd. Ouders brengen jonge spelers naar uitwedstrijden, vrijwilligers staan achter de bar en plaatselijke ondernemers ondersteunen de vereniging. De reclameborden langs het veld vormen bijna een overzicht van de middenstand van Giessen, Rijswijk en de omliggende dorpen.

Voor oudere inwoners is een thuiswedstrijd van het eerste elftal een gelegenheid om vrienden en bekenden te ontmoeten die zij soms al tientallen jaren kennen. Ze praten over de wedstrijd, maar ook over hun werk, hun familie en wat er verder in het dorp gebeurt. Voor ouders begint de band met de vereniging vaak wanneer hun kinderen voor het eerst gaan voetballen. Voor mij is de zaterdag inmiddels verbonden met het kijken naar Bas in het tweede elftal.

Wanneer ik langs het veld sta, realiseer ik me meestal niet dat we deel uitmaken van een geschiedenis die meer dan een eeuw teruggaat. Toch is de overeenkomst duidelijk. Vroeger gingen veel mensen na hun werk op zaterdagmorgen naar de plaatselijke voetbalwedstrijd. Tegenwoordig ziet de zaterdag er anders uit, maar nog altijd komen mensen op een vast moment naar hetzelfde sportpark. De omstandigheden zijn veranderd, maar het oude begrip saamhoorigheid past nog steeds.

Aan het einde van de middag ga ik weer naar huis. Soms heeft Bas gewonnen, soms verloren en is de wedstrijd snel vergeten. Maar ik heb bekenden gesproken, verhalen gehoord en opnieuw gezien hoeveel mensen zich bij de vereniging betrokken voelen. Voetbal levert de wedstrijd en het gespreksonderwerp. De club zorgt ervoor dat mensen elkaar blijven ontmoeten — soms een seizoen lang, soms een heel leven. Langs het veld staan, bekenden ontmoeten en na afloop samen napraten. Het gebeurt iedere zaterdag opnieuw.

En dat was toen… heel gewoon.

Ps. Deze blog heb ik geschreven op de zondag nadat Bas thuis met 2-1 had verloren, "het was een draak van een wedstrijd. En die scheids....."

Bronnen en verder lezen

Voor deze blog zijn historische publicaties, archiefstukken, sporthistorische artikelen en informatie van GRC ’14 geraadpleegd. Bij enkele gebeurtenissen uit de vroegste Nederlandse voetbalgeschiedenis bestaan verschillende lezingen. Waar dat het geval is, is die onzekerheid in de tekst benoemd.

Gewoon een zaterdag middag langs het veld

Op zaterdagmiddag ga ik regelmatig bij Bas kijken. Hij voetbalt in het tweede elftal van GRC ’14. Meestal weet ik vooraf niet precies wie er langs de lijn zullen staan. Toch kom ik bijna altijd bekenden tegen. Natuurlijk kijken we naar Bas en zijn medespelers, maar ondertussen gaat het gesprek over van alles. Over het dorp, het werk, de familie en uiteraard over het voetbal. Een gemiste kans wordt nog eens beoordeeld, de opstelling wordt besproken en over een beslissing van de scheidsrechter bestaat bijna altijd verschil van mening.

Na de wedstrijd verplaatst een deel van het gezelschap zich naar de kantine. Daar gaat het gesprek gewoon verder. Soms uitgebreid over de wedstrijd, maar minstens zo vaak over alles wat daar niets mee te maken heeft. Juist op zulke momenten merk ik dat een zaterdagmiddag bij de voetbalclub om veel meer draait dan alleen de uitslag. Voor veel dorpen is de voetbalvereniging een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen. Dat begint al bij de jeugd. Ouders staan langs de lijn, draaien bardiensten en rijden met een auto vol kinderen naar uitwedstrijden. Daardoor leren niet alleen de spelers elkaar kennen. Ook tussen ouders ontstaan contacten die soms jarenlang blijven bestaan.

Bij GRC ’14 beperkt het verenigingsleven zich niet tot de wedstrijden. De club organiseert bijvoorbeeld bingo- en feestavonden. Daarmee is de accommodatie niet alleen een plek om te voetballen, maar ook een soort dorpshuis. GRC ’14 ontstond in 2014 uit een fusie tussen VV Giessen en VV Rijswijkse Boys. De vereniging bracht daarmee twee voetbalgeschiedenissen en twee dorpsgemeenschappen bij elkaar. Praktische overwegingen en de toekomstbestendigheid van het voetbal in beide dorpen speelden een belangrijke rol bij die samenvoeging.

Ook voor oudere inwoners blijft de club belangrijk. Wanneer het eerste elftal thuis speelt, komen mensen naar het sportpark die elkaar soms al tientallen jaren kennen. Ze stonden er vroeger misschien zelf op het veld, brachten later hun kinderen naar de training en kijken nu samen naar een nieuwe generatie spelers. De wedstrijd vormt de aanleiding, maar het weerzien is minstens zo belangrijk.

We vinden dat tegenwoordig heel normaal. Op zaterdag worden de voetbaltassen ingepakt, rijden ouders naar uitwedstrijden en ontmoeten supporters elkaar langs het veld. Maar hoe is dat eigenlijk ontstaan? Wanneer werd voetbal een vast onderdeel van het Nederlandse dorpsleven? En was voetbal vroeger werkelijk een sport van gewone arbeiders?

Toen voetbal nog geen voetbal was

Voetbalachtige spelen bestaan al eeuwen. In middeleeuwse steden en dorpen werden wedstrijden gespeeld waarbij grote groepen mensen een bal naar een afgesproken plaats probeerden te krijgen. Het speelveld kon een straat, een weiland of zelfs het hele gebied tussen twee dorpen zijn. Er waren nauwelijks vaste regels. Het aantal deelnemers lag niet altijd vast, het speelgebied was niet duidelijk afgebakend en van een scheidsrechter was meestal geen sprake. Het spel kon uren duren en behoorlijk gewelddadig verlopen.

Het moderne voetbal ontstond pas in het negentiende-eeuwse Engeland. Rond 1850 bestond nog niet één algemeen erkende vorm van het spel. Scholen, universiteiten en plaatselijke clubs hanteerden allemaal hun eigen regels. Op de ene plaats mocht een speler de bal met zijn handen meenemen, terwijl dat ergens anders verboden was. Studenten van de Universiteit van Cambridge probeerden in 1848 gezamenlijke regels op te stellen. In 1858 volgde Sheffield Football Club met een eigen reglement. De beslissende stap kwam in 1863 met de oprichting van de Engelse Football Association. De aangesloten clubs spraken onder meer af dat veldspelers niet met de bal in hun handen mochten lopen. Zo ontstond geleidelijk het onderscheid tussen voetbal en rugby. Dat lijkt nu vanzelfsprekend. We weten precies wat een doelpunt, een vrije trap en buitenspel zijn. Rond 1850 moest echter eerst worden afgesproken welk spel men eigenlijk ging spelen. Voordat twee ploegen aan een wedstrijd konden beginnen, moesten ze soms onderhandelen over de regels.

Hoe het voetbal naar Nederland kwam

Rond 1850 werd in Nederland nog nauwelijks gevoetbald. Er bestaan verhalen dat Engelse arbeiders en handelaren het spel meenamen naar onder meer Enschede, Rotterdam en verschillende kustplaatsen. Harde bewijzen voor georganiseerde wedstrijden uit die tijd zijn er nauwelijks.

Het moderne voetbal kreeg hier pas tegen het einde van de negentiende eeuw werkelijk vaste voet aan de grond. De belangrijkste Nederlandse voetbalpionier was Pim Mulier. Volgens de traditionele geschiedschrijving richtte hij in 1879, toen hij pas veertien jaar oud was, in Haarlem de Haarlemsche Football Club op. Deze vereniging bestaat nog altijd als Koninklijke HFC en geldt officieel als de oudste voetbalclub van Nederland. Daarbij hoort wel een kanttekening. HFC speelde in de eerste jaren waarschijnlijk een spel dat meer op rugby leek dan op het huidige voetbal. Pas rond 1883 schakelde de vereniging over op het zogenoemde association football: de spelvorm waaruit het moderne voetbal is voortgekomen.

Over het precieze oprichtingsverhaal van HFC bestaat onder historici discussie. Het Nationaal Archief en de KNVB houden niettemin 1879 aan als het officiële oprichtingsjaar. Na HFC volgden meer verenigingen. Hercules werd in 1882 in Utrecht opgericht. In 1883 ontstonden onder meer Frisia in Leeuwarden en HVV in Den Haag. Sommige verenigingen begonnen als cricketclub en namen het voetbal later in hun programma op. Sparta, opgericht in 1888, is tegenwoordig de oudste Nederlandse voetbalclub die ook in het betaald voetbal heeft gespeeld.

Eerst een sport voor jonge heren

Voetbal wordt tegenwoordig vaak gezien als een volkssport. In bijna ieder dorp ligt een voetbalveld en voor een partijtje zijn weinig hulpmiddelen nodig. Een bal, twee geïmproviseerde doelen en een aantal spelers zijn in principe voldoende. Toch was het georganiseerde voetbal in Nederland aanvankelijk zeker geen sport van de armen. Het Nationaal Archief typeert het vroege voetbal als een sport voor “jonge heren”.

De eerste spelers waren voornamelijk scholieren, studenten en zonen uit welgestelde families. Zij beschikten over de tijd en het geld om een bal en sportkleding te kopen. Bovendien konden zij voor wedstrijden naar andere steden reizen. De clubnamen en voetbaltermen waren meestal Engels. Men sprak over een match, een goal, forwards en backs. Voor arbeiders was deelname veel moeilijker. Zij maakten lange werkdagen en werkten doorgaans zes dagen per week. Ook de zaterdagmorgen was een gewone werkmorgen.

Tussen 1905 en 1914 kwam volgens sporthistorisch onderzoek 81 procent van de spelers van het Nederlands elftal uit de hoogste maatschappelijke groepen. Slechts vier procent had een volkse achtergrond. Het vroege Nederlandse voetbal was dus eerder een elitesport dan een arbeiderssport. Dat veranderde pas in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Steeds meer arbeiders, ambachtslieden en jonge mannen uit dorpen en stadswijken gingen voetballen. Vanuit kerken, scholen, bedrijven, buurten en vriendengroepen werden nieuwe verenigingen opgericht.

Vooral tijdens en na de Eerste Wereldoorlog groeide voetbal in Nederland uit tot een echte volkssport.

Van losse wedstrijden naar een competitie

In de beginjaren speelden clubs voornamelijk losse wedstrijden tegen elkaar. Er bestond nog geen vast programma en verenigingen moesten onderling afspreken wanneer en waar zij zouden spelen. Een landelijk competitiesysteem zoals we dat nu kennen, was er niet. In het seizoen 1888-1889 speelden zeven clubs uit Amsterdam, Den Haag, Haarlem en Rotterdam een eerste gezamenlijke competitie. Deze reeks wedstrijden zou later bekendstaan als de Eerste Klasse West. Concordia uit Rotterdam behaalde de beste resultaten, maar van een officieel landskampioenschap was nog geen sprake. Niet alle clubs speelden evenveel wedstrijden en er bestond nog geen landelijke voetbalbond die alles centraal organiseerde.

Dat veranderde op 8 december 1889. Op initiatief van Pim Mulier werd de Nederlandsche Voetbal- en Athletische Bond opgericht, de voorloper van de huidige KNVB. In het seizoen 1889-1890 begon de nieuwe bond de westelijke competitie daadwerkelijk te structureren. Het bestuur wees zes verenigingen aan voor de Eerste Klasse: RAP en VVA uit Amsterdam, HFC en Excelsior uit Haarlem, HVV uit Den Haag en Concordia uit Rotterdam.

Een overwinning leverde twee punten op en een gelijkspel één punt. De organisatie was nog niet perfect. Verenigingen maakten veel afspraken zelf en niet iedere club speelde hetzelfde aantal wedstrijden. Toch vormde deze competitie het begin van het Nederlandse competitiesysteem. De eerste gezamenlijke competitie werd dus in 1888-1889 gespeeld. De eerste competitie die door de voorloper van de KNVB werd gestructureerd, volgde in het seizoen 1889-1890.

In 1895 werd de atletiek binnen de bond losgelaten en ging de organisatie verder als de Nederlandsche Voetbalbond. In 1929 kreeg de bond het predicaat Koninklijk. Vanaf dat moment was er officieel sprake van de KNVB. Aanvankelijk kwamen vrijwel alle deelnemende clubs uit het westen van het land. Daarna werden ook in andere delen van Nederland regionale competities gevormd. In 1894 vatte Haarlem’s Dagblad die ontwikkeling samen met de woorden:

“De competitie is over het geheele land verdeeld.”

In het krantenbericht werden verschillende districten genoemd: één voor clubs uit Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland, een tweede voor Brabant en een deel van Gelderland en een derde voor Zuid-Holland. Binnen enkele jaren was het Nederlandse voetbal veranderd van een verzameling losse wedstrijden in een netwerk van verenigingen en regionale competities.

Eerst werken, daarna voetballen

De groei van het voetbal hing nauw samen met de geleidelijke verkorting van de werkweek. Veel arbeiders bleven op zaterdagmorgen werken, maar kregen later op de dag vrij. De zaterdagmiddag ontstond zo als een herkenbaar moment voor sport en ontspanning. In Engeland groeide de vrije zaterdagmiddag al in de tweede helft van de negentiende eeuw uit tot de vaste voetbaltijd. Ook in Nederland werd het later heel gewoon om na het werk naar de plaatselijke club te gaan.

De zaterdag begon op het land, in de winkel, de werkplaats of de fabriek. Daarna kleedde men zich om en ging men zelf voetballen of langs het veld staan. Wie niet speelde, ontmoette er collega’s, familieleden, buren en vrienden. De vrije tijd was beperkter dan tegenwoordig. Juist daardoor kreeg de zaterdagmiddag een bijzondere betekenis. Het was een van de momenten waarop mensen uit hun dagelijkse werkritme konden stappen en gezamenlijk iets konden beleven. Voetbal bood ontspanning en spanning, maar ook regelmaat. De wedstrijd stond op een vast tijdstip gepland. Dezelfde mensen kwamen iedere week of om de twee weken naar hetzelfde veld. Zo ontstond vanzelf een gemeenschap rond de club.

De club werd onderdeel van het dorp

Toen steeds meer mensen gingen voetballen, veranderde ook de betekenis van de vereniging. Een voetbalclub was niet langer alleen een groep spelers die af en toe een wedstrijd organiseerde. Er kwamen besturen, commissies, trainers, vrijwilligers en supporters. In een historische beschrijving over de voetbalvereniging van Lexmond werd aan het begin van de jaren dertig geschreven dat de club:

“Een steeds grooter plaats – althans eervoller – in het vereenigingsleven gaat innemen.”

Die oude formulering laat mooi zien wat er gebeurde. De voetbalclub kreeg een vaste plaats binnen de gemeenschap. Mensen ontmoetten elkaar, vrijwilligers kregen verantwoordelijkheden en een thuiswedstrijd werd een gebeurtenis waarbij een groot deel van het dorp betrokken was.

In een Nederlandstalig voetbaljubileumboek uit 1934 werd beschreven hoe door sport:

“Egoïsme plaats maakt voor een gevoel van saamhoorigheid, van kameraadschap.”

De woorden kwamen uit de toenmalige Nederlandse voetbalwereld in Nederlands-Indië, maar verwoorden een verenigingsideaal dat ook in Nederland herkenbaar was. Een speler moest niet alleen voor zichzelf spelen. Hij moest samenwerken en verantwoordelijkheid dragen voor het elftal en de vereniging. Dat gold ook voor de mensen buiten het veld. Iemand moest de lijnen trekken, de kleedkamers onderhouden, de contributie innen en de jeugd begeleiden. Een club kon alleen blijven bestaan wanneer leden en inwoners bereid waren samen iets op te bouwen.

De middenstand langs het veld

Bij die ontwikkeling ging ook de lokale middenstand een belangrijke rol spelen. De reclameborden langs een voetbalveld vertellen eigenlijk een tweede verhaal over het dorp. Daarop staan de namen van aannemers, garagebedrijven, winkels, horecazaken, transportbedrijven en andere ondernemers uit de omgeving.

Hun sponsoring helpt de vereniging bij het kopen van tenues en trainingsmaterialen, het onderhouden van de accommodatie en het organiseren van activiteiten. Bij een dorpsclub kan een bijdrage van een plaatselijke ondernemer direct zichtbaar resultaat opleveren. Een jeugdteam krijgt nieuwe shirts, een toernooi kan doorgaan of een deel van het clubgebouw wordt opgeknapt. De relatie werkt ook andersom. Een ondernemer steunt niet alleen de vereniging, maar laat tegelijkertijd zien dat zijn bedrijf deel uitmaakt van de gemeenschap. De leden herkennen de naam langs het veld en komen die ondernemer later weer tegen in het dorp.

Sponsoring is daarom meer dan reclame. Het is een vorm van wederzijdse betrokkenheid. De voetbalclub draagt bij aan de leefbaarheid van het dorp en de lokale middenstand helpt de vereniging voortbestaan.

Hoe zou een voetballer van vroeger naar onze zaterdag kijken?

Hoe zou een voetballer uit 1890 naar een zaterdag bij GRC ’14 kijken?

Hij zou zich waarschijnlijk verbazen over het kunstgras, de verlichting, de moderne voetbalschoenen en het grote aantal jeugdteams. Dat meisjes en vrouwen vanzelfsprekend lid kunnen worden, zou voor hem helemaal bijzonder zijn. Ook een kantine, kleedkamers met douches, een digitaal wedstrijdprogramma en ouders die met de auto naar uitwedstrijden rijden, waren in zijn tijd onvoorstelbaar.

Maar hij zou ook veel herkennen.

Twee elftallen die samen een wedstrijd spelen. Mensen die langs de lijn commentaar leveren. Vrijwilligers die ervoor zorgen dat alles doorgaat. Een plaatselijke ondernemer die de club ondersteunt. Spelers die na afloop samen iets drinken en supporters die nog lang over een gemiste kans praten. Misschien zou hij zelfs herkennen dat de wedstrijd niet het enige belangrijke onderdeel van de middag is. Het gaat ook om het weerzien, de gesprekken en het gevoel ergens bij te horen.

Terug naar Bas en GRC ’14

Wat meer dan een eeuw geleden ontstond, herken ik op zaterdagmiddag bij GRC ’14 nog altijd. Ouders brengen jonge spelers naar uitwedstrijden, vrijwilligers staan achter de bar en plaatselijke ondernemers ondersteunen de vereniging. De reclameborden langs het veld vormen bijna een overzicht van de middenstand van Giessen, Rijswijk en de omliggende dorpen.

Voor oudere inwoners is een thuiswedstrijd van het eerste elftal een gelegenheid om vrienden en bekenden te ontmoeten die zij soms al tientallen jaren kennen. Ze praten over de wedstrijd, maar ook over hun werk, hun familie en wat er verder in het dorp gebeurt. Voor ouders begint de band met de vereniging vaak wanneer hun kinderen voor het eerst gaan voetballen. Voor mij is de zaterdag inmiddels verbonden met het kijken naar Bas in het tweede elftal.

Wanneer ik langs het veld sta, realiseer ik me meestal niet dat we deel uitmaken van een geschiedenis die meer dan een eeuw teruggaat. Toch is de overeenkomst duidelijk. Vroeger gingen veel mensen na hun werk op zaterdagmorgen naar de plaatselijke voetbalwedstrijd. Tegenwoordig ziet de zaterdag er anders uit, maar nog altijd komen mensen op een vast moment naar hetzelfde sportpark. De omstandigheden zijn veranderd, maar het oude begrip saamhoorigheid past nog steeds.

Aan het einde van de middag ga ik weer naar huis. Soms heeft Bas gewonnen, soms verloren en is de wedstrijd snel vergeten. Maar ik heb bekenden gesproken, verhalen gehoord en opnieuw gezien hoeveel mensen zich bij de vereniging betrokken voelen. Voetbal levert de wedstrijd en het gespreksonderwerp. De club zorgt ervoor dat mensen elkaar blijven ontmoeten — soms een seizoen lang, soms een heel leven. Langs het veld staan, bekenden ontmoeten en na afloop samen napraten. Het gebeurt iedere zaterdag opnieuw.

En dat was toen… heel gewoon.

Ps. Deze blog heb ik geschreven op de zondag nadat Bas thuis met 2-1 had verloren, "het was een draak van een wedstrijd. En die scheids....."

Bronnen en verder lezen

Voor deze blog zijn historische publicaties, archiefstukken, sporthistorische artikelen en informatie van GRC ’14 geraadpleegd. Bij enkele gebeurtenissen uit de vroegste Nederlandse voetbalgeschiedenis bestaan verschillende lezingen. Waar dat het geval is, is die onzekerheid in de tekst benoemd.

Disclaimer
Op deze website maak ik gebruik van bronnen en mogelijk teksten, afbeeldingen en ander materiaal van derden, waarvan ik niet de eigenaar ben. Ik respecteer de eigendoms- en auteursrechten van derden en probeer waar mogelijk de oorspronkelijke bron en/of rechthebbende te vermelden. De inhoud van deze website is persoonlijk van aard. Geuite meningen, interpretaties en opinies zijn uitsluitend die van mijzelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de standpunten van mijn huidige of voormalige werkgevers, opdrachtgevers of andere organisaties waarmee ik verbonden ben of ben geweest. De inhoud van deze website wordt regelmatig aangevuld, aangepast en gewijzigd. Hoewel ik probeer de informatie zo zorgvuldig en actueel mogelijk te houden, kan ik niet garanderen dat alle informatie volledig, juist of actueel is. Aan de inhoud van deze website kunnen daarom geen rechten worden ontleend. Denhardsworld.com is een persoonlijk initiatief zonder winstoogmerk.