H1 en H2
Een schippersfamilie in Breskens
De geschiedenis van de motorklipper Jansje is onlosmakelijk verbonden met de familie Jongman. Hoewel het schip zelf het centrale onderwerp van deze monografie vormt, kan zijn geschiedenis niet los worden gezien van de mensen die het bezaten, bevoeren en ermee leefden.
Dankzij een uitzonderlijke verzameling originele documenten is het mogelijk een belangrijk deel van die familiegeschiedenis te reconstrueren. Aan het begin van de twintigste eeuw was Breskens een levendige havenplaats waar visserij, handel en binnenvaart belangrijke bronnen van werk vormden. Schippers vormden er een gemeenschap waarin schepen vaak lange tijd binnen dezelfde familie bleven.
De familie Jongman lijkt daarvan een duidelijk voorbeeld te zijn. De beschikbare documenten laten zien dat het schip niet alleen een bedrijfsmiddel was, maar ook het middelpunt van het gezinsleven en een belangrijk onderdeel van het familievermogen.
Willem Jongman
Een centrale persoon in de vroege geschiedenis van de Jansje is Willem Jongman. Uit een origineel Bewijs van Nederlanderschap, afgegeven op 29 juli 1926, blijkt dat hij op 24 augustus 1877 werd geboren te Hoofdplaat en destijds woonachtig was in Breskens.
Het document bevat tevens een pasfoto en zijn handtekening. Daardoor wordt Willem Jongman niet alleen als naam in een archief zichtbaar, maar ook als persoon. Een later identiteitsdocument bevestigt zijn persoonsgegevens opnieuw. Zulke documenten zijn voor historisch onderzoek van grote waarde, omdat zij onafhankelijk van elkaar dezelfde gegevens vastleggen.
Naast de officiële documenten is ook een familiefoto bewaard gebleven waarop verschillende leden van de familie Jongman zijn geïdentificeerd. Op de achterzijde zijn onder meer de namen Piet Jan, Aliezen, Willem, Dan, Jans, Anna, Lenz en Moeder Jongman vermeld.
Niet van iedere persoon is de exacte verwantschap inmiddels vastgesteld. De foto vormt echter een belangrijk uitgangspunt voor verder genealogisch onderzoek en geeft een gezicht aan de familie die met de geschiedenis van de Jansje verbonden was.
Een schip als familiebezit
De notariële documenten maken duidelijk dat de Jansje meer was dan een schip waarmee inkomsten werden verdiend. Uit een akte van scheiding en verdeling van de huwelijksgemeenschap blijkt dat het schip deel uitmaakte van de gezamenlijke bezittingen van W. Jongman Sr. en Johanna Adriana Hoogstad.
Daarmee staat vast dat de Jansje niet uitsluitend een bedrijfsobject was, maar ook een belangrijk onderdeel vormde van het familievermogen. De toevoeging Sr. bij de naam van Willem Jongman wijst erop dat er binnen de familie nog een naamgenoot was. De precieze onderlinge familieverhoudingen moeten echter nog met genealogische bronnen worden bevestigd.
Daarnaast zijn meerdere hypotheekstukken bewaard gebleven. Een oudere hypotheek op naam van W. Jongman laat zien dat het schip een aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigde. Een latere hypotheek uit 1951 op naam van Pieter Jongman toont aan dat ook een volgende generatie het schip gebruikte als onderpand voor financiering.
Hierdoor ontstaat het beeld van een schip dat gedurende meerdere decennia binnen dezelfde familie een centrale rol speelde.
Pieter Jongman
Vanaf het begin van de jaren vijftig verschijnt Pieter Jongman nadrukkelijk in de bronnen. Uit een officieel belastingdocument op grond van het Schippersbesluit directe belastingen 1953 blijkt dat Pieter, geboren op 28 oktober 1913 te Breskens, als schipper stond geregistreerd en woonachtig was aan boord van de motorklipper Jansje.
Dit gegeven is bijzonder. Waar veel historische bronnen uitsluitend informatie geven over het schip, laat dit document zien dat de Jansje tevens als woning diende. Voor een schippersgezin was dat gebruikelijk. Wonen, werken en reizen vonden plaats op één en hetzelfde schip.
Daardoor vervaagde de grens tussen privéleven en bedrijfsvoering. Het schip vormde letterlijk het middelpunt van het dagelijks bestaan.
De hypotheek van 1951
Op 24 maart 1951 werd een notariële hypotheekakte verleden waarbij Pieter Jongman een lening van ƒ 1.750 ontving. De lening werd verstrekt door Jozina Suzanna van Houte, wonende te Oost- en West-Souburg.
De rente bedroeg vijf procent per jaar. De Jansje diende als onderpand voor deze lening. De akte is van groot belang omdat zij niet alleen de financiële verhouding vastlegt, maar ook een gedetailleerde technische beschrijving van het schip bevat.
Uit de persoonlijke administratie blijkt bovendien dat Pieter verschillende schulden, rentebetalingen en aflossingen nauwkeurig bijhield. In de kasboeken worden betalingen aan familieleden en aan de notaris genoemd. Dit laat zien hoe nauw de bedrijfsvoering van het schip verbonden was met de financiële huishouding van de familie.
Het leven van een binnenvaartschipper
De persoonlijke kasboeken en reisadministraties geven een uitzonderlijk inkijkje in het leven van een zelfstandige binnenvaartschipper. Zij bevatten overzichten van vrachtreizen, ontvangen vrachtgelden, rentebetalingen, aflossingen en onderhoudskosten.
Uit deze administratie blijkt dat de Jansje onder meer voer op:
Steenbergen;
Schiedam;
Helmond;
Vlaardingen;
Rotterdam;
Alblasserdam;
Eeclo.
De administratie toont hoe zorgvuldig de financiële huishouding werd bijgehouden. Hypotheken, onderhoudskosten, rentebetalingen en opbrengsten werden nauwkeurig genoteerd. Daarmee verandert de Jansje van een anoniem vrachtschip in een tastbaar familiebedrijf.
Historische betekenis
Juist de combinatie van officiële documenten en persoonlijke archiefstukken maakt de geschiedenis van de familie Jongman bijzonder. Veel binnenvaartschepen zijn slechts bekend uit registers of meetbrieven. Van de Jansje zijn daarentegen ook foto’s, identiteitsbewijzen, notariële akten, belastingdocumenten, kasboeken en familieadministraties bewaard gebleven.
Daardoor kunnen niet alleen de technische kenmerken van het schip worden beschreven, maar ook het dagelijkse leven van de mensen die er jarenlang op woonden en werkten.
De familie Jongman vormt daarmee de menselijke rode draad in de geschiedenis van de Jansje. Zonder hen zou het schip slechts een registratie in een archief zijn gebleven. Dankzij hun documenten is het mogelijk geworden de geschiedenis opnieuw tot leven te brengen.
Figuur 1
Motorklipper Jansje, vermoedelijk begin jaren vijftig.
Bron: Familiearchief Jongman.
Figuur 2
Willem Jongman, afkomstig uit het Bewijs van Nederlanderschap van 29 juli 1926.
Bron: Familiearchief Jongman.
Figuur 3
Familiefoto van de familie Jongman, vermoedelijk te Breskens. Op de achterzijde zijn verschillende familieleden met naam geïdentificeerd.
Bron: Familiearchief Jongman.
Hoofdstuk 2 – De bouw van de Maria (1914)
De oorsprong van de Jansje
De geschiedenis van de Jansje begint niet onder die naam. Uit de notariële beschrijving van het schip blijkt dat zij in 1914 werd gebouwd als Maria. Deze vaststelling behoort tot de belangrijkste resultaten van het onderzoek, omdat daarmee de oorsprong van het schip met een primaire bron wordt onderbouwd.
In de hypotheekakte uit 1951 wordt het schip omschreven als:
Het motorklipperschip genaamd “Jansje”, vroeger “Maria”, gebouwd te Roodevaart aan den Moerdijk in het jaar negentienhonderd veertien.
Deze vermelding bevestigt tegelijkertijd:
de oorspronkelijke naam Maria;
de latere naam Jansje;
het bouwjaar 1914;
de bouwplaats Roodevaart aan den Moerdijk.
Roodevaart aan den Moerdijk
Roodevaart was in het begin van de twintigste eeuw een locatie waar binnenvaartschepen werden gebouwd en hersteld. Langs de Roode Vaart waren scheepsbouwers actief die praktische vrachtschepen leverden voor zelfstandige schippers.
Deze schepen moesten vooral sterk, betrouwbaar en betaalbaar zijn. Functionaliteit stond voorop. De Maria past binnen dit beeld. Het schip werd gebouwd in een periode waarin de Nederlandse binnenvaart een ingrijpende verandering doormaakte.
Traditionele zeilende klippers werden steeds vaker voorzien van mechanische voortstuwing. Bij sommige schepen gebeurde dit pas jaren na de bouw. Op basis van de huidige bronnen is nog niet met zekerheid vast te stellen of de Maria in 1914 direct als motorschip werd gebouwd of later werd gemotoriseerd. De akte uit 1951 beschrijft in ieder geval de toen bestaande toestand als motorklipperschip.
De scheepswerf
De exacte werf waar de Maria werd gebouwd, is nog niet met een primaire bron vastgesteld. De naam Geleijns of Geleijnse wordt in verband gebracht met scheepsbouw te Roodevaart, maar de beschikbare documenten noemen de werf niet rechtstreeks.
Daarom moet zorgvuldig onderscheid worden gemaakt tussen bouwplaats en scheepswerf:
Vastgesteld: gebouwd te Roodevaart aan den Moerdijk.
Nog niet vastgesteld: de naam van de scheepswerf en het bouwnummer.
De originele meetbrief, een werfregister of een brandmerkkaart zou deze vraag mogelijk definitief kunnen beantwoorden.
Van Maria naar Jansje
Op enig moment tussen de bouw in 1914 en de officiële registratie in 1927 kreeg het schip een nieuwe naam: Jansje. Wanneer deze naamswijziging precies plaatsvond, is nog niet bekend.
Wel staat vast dat de naam Jansje in de registratie van 1927 werd gebruikt. Een naamswijziging kon in de binnenvaart samenhangen met een nieuwe eigenaar, een verandering binnen de familie of een persoonlijke keuze van de schipper.
De beschikbare bronnen geven hiervoor nog geen definitieve verklaring. Mogelijk verwees de naam naar een vrouwelijk familielid, maar ook dat is nog niet bewezen.
Technische inrichting
De technische omschrijving uit de hypotheekakte geeft een gedetailleerd beeld van het schip zoals het in 1951 bestond. De Jansje was een stalen motorklipper met onder meer:
één mast;
een vast dek;
voor- en achterlogies;
slaapruimte voor twee personen;
een laadruim;
een handhijslier;
een ijzeren stuurkist;
een afneembare houten kap;
een sloep;
staand en lopend want;
tuigage;
reservedelen en inventaris;
een 35 pk Kromhout-middeldrukmotor.
Deze omschrijving laat zien dat het schip zowel kenmerken van een traditionele klipper als van een gemotoriseerd vrachtschip bezat. De aanwezigheid van een mast en tuigage herinnert aan de zeilvaart, terwijl de Kromhoutmotor de moderne voortstuwing verzorgde.
Inhoud en laadvermogen
In de notariële akte wordt een officiële inhoudsmaat genoemd. De exacte lezing van het getal moet bij de definitieve transcriptie nogmaals aan de originele akte worden getoetst, omdat in eerdere versies verschillende waarden zijn genoemd.
Een belastingdocument uit 1953 vermeldt voor het schip ongeveer 110 ton. Dit getal kan betrekking hebben op laadvermogen of fiscale tonnage en is niet zonder meer gelijk aan de kubieke inhoud die in de hypotheekakte werd gebruikt.
Voor de definitieve technische beschrijving moeten daarom drie begrippen zorgvuldig uit elkaar worden gehouden:
inhoud in kubieke meters;
laadvermogen in tonnen;
eventuele fiscale of geregistreerde tonnage.
De Kromhoutmotor
In de hypotheekakte wordt een 35 pk Kromhout-middeldrukmotor genoemd. Kromhout was een bekende Nederlandse fabrikant van scheepsmotoren. Een motor van 35 pk was bescheiden naar moderne maatstaven, maar passend bij een klein binnenvaartschip van deze omvang en periode.
De motor maakte het schip minder afhankelijk van wind en sleepdiensten. Daardoor kon de schipper zelfstandiger varen en betrouwbaarder plannen. Voor een familiebedrijf betekende motorisering niet alleen technische vooruitgang, maar ook een belangrijke verbetering van de economische inzetbaarheid.
Registratie te Middelburg
Een belangrijk onderdeel van de identiteit van het schip is de officiële registratie. In de documenten komen de aanduidingen 22 B. Midd. 1927 en R 13463 N voor.
Uit de notariële tekst blijkt dat het schip op 25 juli 1927 voor de eerste maal werd te boek gesteld bij het kantoor van de Scheepsbewijzen te Middelburg.
De aanduiding 22 B. Midd. 1927 hangt samen met deze inschrijving. Zij is geen bouwnummer. Het nummer R 13463 N fungeerde als officieel registratienummer en komt in meerdere documenten terug.
Deze combinatie is bijzonder waardevol voor verder onderzoek, omdat daarmee gericht gezocht kan worden naar:
de brandmerkkaart;
de meetbrief;
latere eigendomsoverdrachten;
eventuele wijzigingen van naam, motor of afmetingen;
de registratie na de verkoop in 1954.
Thuishaven Breskens
De hypotheekakte vermeldt dat de Jansje thuishoorde te Breskens. Daarmee werd het schip juridisch en administratief aan de woon- en bedrijfslocatie van de familie Jongman gekoppeld.
Breskens lag gunstig aan de Westerschelde en bood verbindingen naar onder meer Terneuzen, Vlissingen, Antwerpen, Dordrecht en Rotterdam. Voor een kleine motorklipper was het daarmee een geschikte uitvalsbasis voor regionale en interregionale vrachtvaart.
Een schip met een herkenbare identiteit
Door de combinatie van bouwjaar, bouwplaats, oorspronkelijke naam, latere naam, registratienummer, technische kenmerken en koppeling met Breskens kan de identiteit van de Jansje inmiddels met grote zekerheid worden vastgesteld.
De belangrijkste identificerende gegevens zijn:
OnderdeelGegevenOorspronkelijke naamMariaLatere naamJansjeBouwjaar1914BouwplaatsRoodevaart aan den MoerdijkTypeMotorklipperschipMateriaalStaalMotor35 pk Kromhout-middeldrukmotorThuishavenBreskensRegistratieR 13463 NEerste bekende teboekstellingMiddelburg, 25 juli 1927Registratieaanduiding22 B. Midd. 1927
Waar veel binnenvaartschepen uit deze periode slechts bekend zijn uit enkele archiefregels, beschikt de Jansje over een uitzonderlijk rijke documentatie. Daardoor is niet alleen bekend waar en wanneer zij werd gebouwd, maar ontstaat ook een steeds completer beeld van haar technische ontwikkeling en haar plaats binnen de Zeeuwse binnenvaart.
Figuur 4
De motorklipper Jansje, vermoedelijk begin jaren vijftig. De foto toont het schip in gemoderniseerde toestand met stuurhut, woonroef, mast en bijboot.
Bron: Familiearchief Jongman.
Figuur 5
Uitsnede uit de notariële hypotheekakte van 1951, waarin wordt vermeld dat de Jansje oorspronkelijk onder de naam Maria werd gebouwd te Roodevaart aan den Moerdijk in 1914.
Bron: Familiearchief Jongman.
