Gewoon even een weekje weg....

Toen vakantie nog vooral een kwestie van geld en afkomst was…

Morgen gaan Bo en San een weekje op vakantie. Even eruit. Een andere omgeving, hopelijk elke dag een aantal uren zon, een ander ritme en vooral lekker ontspannen. Tegenwoordig is voor veel van ons een vakantiel gewoon. Je neemt vrije dagen op, regelt waar je naartoe gaat en kijkt uit naar het moment waarop de deur achter je dichtvalt. Maar hoe ging dat vroeger eigenlijk? Kon iemand rond 1850 ook tegen zijn werkgever zeggen: “Ik ben er volgende week even niet”? Gingen mensen toen op vakantie? Of waren ze vooral blij als er voldoende werk was om de week door te komen?

Zoals zo vaak in de geschiedenis hangt het antwoord nogal af van wie je was. En vooral van wat er in je portemonnee zat.

Rust is geen moderne uitvinding

De gedachte dat een mens af en toe moet uitrusten, is bepaald niet nieuw. Bijna tweeduizend jaar geleden schreef de Romeinse filosoof Seneca al over het belang van ontspanning. In Over de rust van de geest staat, hier in mijn Nederlandse vertaling: “De geest moet ontspanning krijgen: na rust wordt hij beter en scherper.” Dat klinkt verrassend herkenbaar. Even afstand nemen, het hoofd leegmaken en daarna weer verder kunnen. Seneca had het natuurlijk niet over een vakantievlucht of een huisje voor een week. Maar het idee dat voortdurende inspanning een mens uitput, bestond duidelijk al lang voordat iemand vakantiedagen op een formulier kon invullen.

Dat betekent niet dat iedereen die rust ook kon nemen. Tussen de behoefte aan ontspanning en de mogelijkheid om een week weg te gaan, zat een wereld van verschil.

De zomer doorbrengen aan de Vecht

Voor rijke families bestonden er al ruim vóór 1850 mogelijkheden om tijdelijk een andere omgeving op te zoeken. In de zeventiende en achttiende eeuw trokken welgestelde stedelingen bijvoorbeeld naar hun buitenplaats aan de Vecht of de Amstel. Landschap Erfgoed Utrecht omschrijft die huizen als “zomerse toevluchtsoorden voor de families van rijke kooplieden en bestuurders”. Daar werd gewandeld, gelezen, gemusiceerd en bezoek ontvangen. Vanuit een theekoepel kon men rustig kijken wie er over het water voorbijkwam. Een soort mensen kijken vanaf het terras, maar dan met een eigen landgoed erachter. De verhuizing (want dat was het!) naar zo’n zomerverblijf was overigens geen kwestie van een weekendtas inpakken. Een deel van de huisraad ging mee. Personeel reisde vooruit om het huis schoon te maken en klaar te zetten. Tuinen moesten worden onderhouden, maaltijden bereid en gasten ontvangen.

Voor de eigenaar was het buitenleven aangenaam. Voor het personeel was er ondertussen gewoon werk aan de winkel. En ook de eigenaar was niet altijd helemaal vrij: de handel ging door en de heer des huizes reisde geregeld terug naar de stad. Een bekende bezoeker van de Vechtstreek was Constantijn Huygens. Hij verbleef in 1656 op Goudestein in Maarssen. Het beviel hem kennelijk goed. Want anders dan nu waar je een fotootje of clipje verstuurd, maakte hij een drietal gedichten tijdens zijn verblijf.

Een week niet werken: waarvan leefde je dan?

Maar laten we eens rond 1850 blijven hangen. Stel je voor dat je afhankelijk bent van dagloon of stukloon. Het geld komt binnen doordat je werkt. Neem je een week vrij, dan kan dat betekenen dat er een week minder inkomsten zijn. Een algemeen recht op betaalde vakantie bestond niet. En terwijl je niet werkte, gingen de dagelijkse uitgaven gewoon door. Er moest gegeten worden. De woning moest worden betaald. Kinderen hadden kleding nodig. Een concreet voorbeeld uit iets latere tijd maakt duidelijk hoe weinig ruimte er kon zijn. Het Nederlands Openluchtmuseum beschrijft een arbeiderswoning van Honig, rond 1900. De arbeider verdiende vijf gulden per week. Daarvan ging anderhalve gulden terug naar Honig voor de huur. Dat voorbeeld is dus van ongeveer vijftig jaar later. Maar het maakt de rekensom tastbaar. Zonder die vijf gulden weekloon moest de huur nog steeds worden betaald. En dan had je nog niets gegeten. Ik probeer me zo’n gesprek voor te stellen. Een weekje weg klinkt heerlijk, maar eerst moet er antwoord komen op een veel dringendere vraag: waarvan eten we die week? Voor iemand met voldoende vermogen was vrije tijd een mogelijkheid. Voor iemand die iedere verdiende gulden nodig had, kon vrij nemen een financieel probleem zijn.

Vrij zijn betekende niet automatisch vakantie

Dat betekent overigens niet dat mensen rond 1850 nooit plezier maakten of elkaar bezochten. Er waren zondagen, feestdagen, kermissen en familiebezoeken. Hoeveel ruimte daarvoor bestond, verschilde per beroep, streek en gezin. Een onderbreking van het werk was bovendien niet automatisch iets om naar uit te kijken. Slecht weer, ziekte of gebrek aan werk konden je ook thuis houden. Dat was geen vakantie, maar onzekerheid over het inkomen. Een landarbeider kon midden in een druk seizoen moeilijk vertrekken. Een vissersgezin leefde met het weer en de vangst. En thuis hield het werk evenmin vanzelf op. Wassen, koken, kinderen verzorgen en het huishouden draaiende houden, moesten ook op een vrije dag gebeuren.

Voor kinderen was vrij van school ook niet vanzelfsprekend hetzelfde als werkelijk vrij zijn. Ze hielpen op het land, in de werkplaats of thuis. Sommige kinderen maakten lange fabrieksdagen. De Canon van Nederland beschrijft hoe bij de Maastrichtse glasfabriek van Regout zelfs kinderen van acht tot tien jaar ’s nachts op weg waren naar hun werk, binnen een systeem van twaalfurige diensten. Dan krijgt het woord ‘uitrusten’ toch een andere lading.

Naar zee voor de gezondheid

Ondertussen ontstond aan de kust iets wat wij wel als vakantie zouden herkennen. In 1818 bouwde Jacob Pronk een houten badhuis in Scheveningen, op de plek waar nu het Kurhaus staat. Daar konden bezoekers baden in zeewater. Dat water kwam niet uit een kraan. Het werd met paard en wagen uit zee gehaald en naar het badhuis gebracht. Je ging dus naar zee om binnen in zeewater te gaan zitten. Daar zat een hele organisatie achter. Het idee sloeg aan. Volgens het Haags Historisch Museum kwamen er het eerste jaar al ongeveer 1.400 badgasten.

Er waren ook badkoetsen: kleine huisjes op wielen waarmee bezoekers een stukje de zee in werden gereden. Een badman of badvrouw hielp vervolgens bij het onderdompelen. Het paste bij de toenmalige ideeën over gezondheid. Zeelucht en zeewater werden heilzaam geacht en een dokter kon een verblijf aan zee aanraden. In 1845 kreeg ook Katwijk een badhuis. Rond dezelfde zee ontstonden zo twee heel verschillende werelden. De badgast kwam er voor zijn gezondheid en ontspanning. De badvrouw verdiende er haar brood. Dat vind ik misschien wel het meest veelzeggende beeld van vakantie in die tijd. De één kwam uitrusten op de plek waar de ander moest werken.

Met de trein een dagje weg

Rond het midden van de negentiende eeuw veranderden de mogelijkheden om te reizen. De spoorwegen maakten uitstapjes voor meer mensen bereikbaar. Een bekend voorbeeld is Thomas Cook. In 1841 organiseerde hij een treinuitstap van Leicester naar een bijeenkomst van drankbestrijders in Loughborough. Deelnemers betaalden één shilling. Geen onbeperkt drankarrangement dus. Het doel was juist de drank te bestrijden.

Ook arbeiders maakten in Groot-Brittannië gebruik van goedkope excursietreinen. Maar goedkoop betekende bepaald niet comfortabel. Een ingezonden verslag in de York Herald van 27 september 1856 beschreef reizigers die op een natte avond in open wagons werden gezet. Volgens de schrijver waren die, vrij vertaald, “alleen geschikt om varkens en schapen in te vervoeren”. Sommige reizigers hadden nota bene voor een overdekte plaats betaald. Spoorweghistorica Susan Major beschrijft nog een bijna ongelooflijk krantenbericht uit 1849. Een jongeman had zich voor een uitstapje van Preston naar Liverpool van top tot teen in mooie kleding gestoken. Die werd tijdens de reis gestolen. Volgens het bericht kwam hij rond drie uur ’s nachts vrijwel naakt thuis.

Dan valt een vergeten oplader voor de iPad of iPhone ineens best mee. Toch?

Een vakantieweek moest worden bevochten

Zo’n daguitstap was natuurlijk nog geen week betaalde vakantie. Voor veel werknemers moest een vaste vakantieweek nog worden bevochten. Zelfs in 1910, zo’n zestig jaar na het midden van de negentiende eeuw, was een week vrij nog een bijzondere overwinning. De Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond, de ANDB, bereikte toen een vakantieweek voor de diamantbewerkers: mensen die diamanten bijvoorbeeld slijpten.Die vakantie was zonder doorbetaling van loon. Het was een regeling voor deze beroepsgroep, geen algemeen recht voor alle Nederlandse werknemers. Dankbare leden stuurden kaarten en brieven naar hun vakbondsbestuur. Stichting Vakbondshistorie haalt daaruit deze woorden aan: “Wij hebben heerlijk genoten en doen het voorstel van 14 dagen. Het is veel te vlug.”

Hoe herkenbaar, eindelijk een week vakantie krijgen en vervolgens ontdekken dat een week eigenlijk veel te kort is. Sommige dingen veranderen kennelijk nauwelijks.

Vakantie werd geleidelijk voor meer mensen bereikbaar. Vrije dagen, inkomen, vervoer en betaalbare overnachtingen moesten allemaal samenkomen. Volgens het Nederlands Openluchtmuseum werd het pas vanaf ongeveer 1960 gebruikelijker dat Nederlandse gezinnen op vakantie gingen. Ook daarna kon lang niet iedereen zomaar vertrekken.

En morgen gaan Bo en San gewoon een weekje weg

Als je vanuit die geschiedenis naar onze vakanties kijkt, is zo’n weekje weg eigenlijk behoorlijk bijzonder. Wat voor veel mensen tegenwoordig een normaal onderdeel van het jaar is, was voor een groot deel van onze voorouders nauwelijks bereikbaar. Behoefte aan rust was er al veel eerder. Maar tijd hebben, inkomsten kunnen missen en de reis kunnen betalen, waren heel andere zaken. Morgen gaan Bo en San dus een weekje weg. Geen buitenplaats met personeel, geen badkoets en hopelijk ook geen open treinwagon in de regen. Gewoon de mogelijkheid om even een ander ritme te hebben. Tijd voor elkaar, voor een andere omgeving, of om een dag weinig te hoeven.

Dus Bo en San: geniet ervan. Rust lekker uit en kom met mooie verhalen terug. En mochten jullie na een week denken dat het veel te vlug voorbij is gegaan: de diamantbewerkers waren jullie in 1910 al voor :-)

Bronnen en verder lezen

Voor dit artikel heb ik onder meer onderstaande historische teksten, museumpublicaties en erfgoedartikelen gebruikt. Sommige beschrijven het dagelijks leven rond het midden van de negentiende eeuw. Andere laten zien wat daaraan voorafging of hoe vakantie later voor meer mensen bereikbaar werd.

Seneca — Over de rust van de geest

In hoofdstuk 17 van De tranquillitate animi schrijft Seneca over de noodzaak van ontspanning. Het citaat in deze blog is mijn Nederlandse vertaling. De Engelse vertaling van Aubrey Stewart uit 1889 is digitaal beschikbaar bij Project Gutenberg.

Landschap Erfgoed Utrecht — Het leven op de buitenplaatsen van Utrecht

Een beschrijving van zomerverblijven, personeel, ontspanning en het sociale leven op buitenplaatsen. Het artikel noemt ook het verblijf van Constantijn Huygens op Goudestein in 1656. Lees het artikel bij Verhaal van Utrecht.

Rijksmuseum van Oudheden en Rijksmuseum — De Grand Tour

Het Rijksmuseum van Oudheden beschrijft de culturele reizen van welgestelde jongeren naar Italië. De publicatie van het Rijksmuseum geeft verdere achtergrond bij de Grand Tour en de reizigers die deze ondernamen. Bekijk de web-expositie van het Rijksmuseum van Oudheden en de publicatie van het Rijksmuseum.

Nederlands Openluchtmuseum — Arbeiderswoning en avontuurlijk kamperen

De beschrijving van deze woning bevat het voorbeeld van een weekloon van vijf gulden en een wekelijkse huur van anderhalve gulden. Dit voorbeeld heeft betrekking op circa 1900, niet op 1850. De rekensom over het wegvallen van een weekloon is mijn toelichting. Lees meer over de arbeiderswoning. Over de ontwikkeling van kamperen en gezinsvakanties, die vanaf ongeveer 1960 gebruikelijker werden. Lees het artikel.

Canon van Nederland — Het Kinderwetje van Van Houten

Achtergrond over kinderarbeid, met het voorbeeld van de lange diensten en jonge kinderen in de glasfabriek van Regout in Maastricht. Lees het artikel.

Haags Historisch Museum — Scheveningen, opkomst van een badplaats

Over het badhuis dat Jacob Pronk in 1818 bouwde, het aanvoeren van zeewater en de ontwikkeling van Scheveningen als badplaats. Lees het museumartikel.

Geschiedenis van Zuid-Holland — Baden en flaneren aan de kust

Achtergrond over badhuizen, badkoetsen en de gezondheidsideeën achter het verblijf aan zee. Ook het Katwijkse badhuis uit 1845 komt aan bod. Lees het artikel.

Gemeente Leicester — Thomas Cook

Informatie over de treinuitstap die Cook in 1841 organiseerde van Leicester naar een bijeenkomst van drankbestrijders in Loughborough. Bekijk de informatiebrochure.

National Railway Museum — Vroege excursietreinen

Onderzoeker Susan Major beschrijft historische krantenberichten over goedkope treinuitstapjes. Hier staat ook de anekdote uit 1849 over de gestolen kleding. Zoek op de pagina naar “At Whitsun in 1849”. Lees het artikel.

Stichting Vakbondshistorie — De maand van het vakantiegeld

Over de strijd voor vakantiedagen en vakantiegeld. Het artikel beschrijft de onbetaalde vakantieweek van de diamantbewerkers in 1910 en haalt reacties van dankbare leden aan. Lees het artikel.

Disclaimer
Denhardsworld.com is mijn persoonlijke website, zonder winstoogmerk. De inhoud — teksten, foto's en verhalen — is van persoonlijke aard en geeft uitsluitend mijn eigen mening weer, niet die van werkgevers, opdrachtgevers of andere organisaties waarmee ik verbonden ben (geweest). Waar ik bronnen, beelden of materiaal van derden gebruik, probeer ik dit correct te vermelden. Kom je iets tegen dat niet klopt of waarvan je rechthebbende bent, laat het me weten — ik pas het graag aan.

De site wordt regelmatig bijgewerkt en kan onvolledigheden bevatten. Er kunnen geen rechten aan de inhoud worden ontleend.