Het begin van een bijzondere geschiedenis

Wie tegenwoordig de naam Jansje hoort, denkt aan het schip waarmee de familie Jongman tientallen jaren door Nederland voer. Uit het onderzoek blijkt echter dat de geschiedenis van dit schip al eerder begint. Lang voordat het de naam Jansje kreeg, werd het gebouwd als Maria. Dankzij originele scheepsregistraties, meetbrieven en archiefstukken is het inmiddels mogelijk deze eerste levensfase grotendeels te reconstrueren.

Deze reconstructie is gebaseerd op primaire bronnen uit de Scheepsmetingsdienst, het familiearchief en diverse openbare archieven. Daardoor ontstaat niet alleen een beeld van het schip zelf, maar ook van de wereld waarin het werd gebouwd.

De Nederlandse binnenvaart aan het begin van de twintigste eeuw

Aan het begin van de twintigste eeuw was de binnenvaart de belangrijkste schakel in het goederenvervoer binnen Nederland. Hoewel spoorwegen steeds belangrijker werden, bleef vervoer over water voor veel bulkgoederen de goedkoopste en meest efficiënte oplossing. Bouwmaterialen, landbouwproducten, steenkool, kunstmest en veevoer vonden hun weg via een dicht netwerk van rivieren, kanalen en havens.

Vooral Zeeland, West-Brabant en Zuid-Holland vormden een belangrijk vaargebied. Breskens, Terneuzen, Middelburg, Rotterdam en Antwerpen waren nauw met elkaar verbonden. Veel schippers voeren geen vaste lijndiensten, maar leefden van vracht naar vracht. Het verkrijgen van een nieuwe reis was iedere keer opnieuw een uitdaging. Een schip betekende daarom veel meer dan een vervoermiddel; het was tegelijkertijd woning, werkplaats en bron van inkomsten.

In deze periode maakte de traditionele houten zeilvaart steeds vaker plaats voor stalen schepen. Staal bood meer sterkte, een langere levensduur en betere mogelijkheden voor latere modernisering. Veel bestaande zeilschepen kregen uiteindelijk een motor ingebouwd, terwijl nieuwe schepen steeds vaker al met die mogelijkheid werden ontworpen.

Roodevaart: een centrum van binnenvaartscheepsbouw

Voor de bouw van de Maria moeten we naar Roodevaart, een kleine gemeenschap nabij Moerdijk. Hoewel tegenwoordig slechts weinig mensen deze plaats kennen, speelde Roodevaart rond 1900 een belangrijke rol in de Nederlandse binnenvaartscheepsbouw.

De ligging aan het water maakte het mogelijk complete binnenvaartschepen direct vanaf de werf te water te laten. Vanuit Roodevaart konden nieuw gebouwde schepen vrijwel onmiddellijk hun eerste reis maken richting Zeeland, Rotterdam of het Hollands Diep.

Verschillende scheepswerven vestigden zich hier. Zij specialiseerden zich in de bouw van klippers, tjalken en andere vrachtschepen voor de binnenvaart. Veel van deze schepen bleven tientallen jaren in de vaart en werden gedurende hun leven meerdere keren aangepast aan nieuwe technieken en veranderende eisen.

Scheepswerf W. Paans – De Hoop der Drie Gebroeders

Uit de inmiddels gevonden registraties blijkt dat de Maria werd gebouwd op de werf van W. Paans in Roodevaart. Deze werf stond bekend onder de naam De Hoop der Drie Gebroeders.

De werf bouwde stalen binnenvaartschepen voor schippers uit verschillende delen van Nederland. Daarbij lag de nadruk op degelijk vakmanschap en een robuuste constructie. Veel schepen die hier werden gebouwd, bleven tientallen jaren actief in de beroepsvaart. Dat de latere Jansje zelfs in de jaren zeventig nog administratief voorkomt, onderstreept de kwaliteit van de oorspronkelijke bouw.

Hoewel nog niet alle bedrijfsarchieven van de werf zijn teruggevonden, wijzen de beschikbare bronnen erop dat de werf een belangrijke leverancier was van middelgrote vrachtschepen voor de Nederlandse binnenvaart.

De eerste naam van het schip de Maria

Het oudste tot nu toe gevonden officiële document over het schip is de eerste meetbrief van de Scheepsmetingsdienst.

Uit deze registratie blijkt dat:

  • de eerste officiële meting plaatsvond op 2 februari 1912;

  • het schip toen de naam Maria droeg;

  • het werd gemeten in Roodevaart;

  • het eerste meetnummer Zb816N werd toegekend.

Deze eerste meting vormt een belangrijke mijlpaal. Vanaf dat moment is het schip officieel opgenomen in de Nederlandse scheepsadministratie en kan zijn geschiedenis stap voor stap worden gevolgd.

Een opvallend detail is dat een latere hypotheekakte uit het familiearchief 1914 als bouwjaar noemt. Daartegenover staat de eerste officiële meting uit 1912, waarin eveneens 1912 als bouwjaar wordt vermeld. Omdat een eerste meetbrief doorgaans kort na de voltooiing van een schip werd opgesteld, vormt deze registratie op dit moment de sterkste aanwijzing dat het schip daadwerkelijk in 1912 werd gebouwd. De oorzaak van het verschil met de latere hypotheekakte is nog onderwerp van onderzoek.

De eerste eigenaar

De eerste officiële registratie levert nog een belangrijke ontdekking op. De Maria was oorspronkelijk eigendom van:

Pieter Cornelis Roest

Zijn domicilie was Breskens.

Dit gegeven is van grote betekenis voor het onderzoek. Lange tijd werd aangenomen dat de geschiedenis van het schip direct met de familie Jongman begon. De meetbrief laat echter zien dat dit niet het geval is. De Maria kende minstens één eerdere eigenaar voordat zij uiteindelijk in handen kwam van Willem Jongman.

Wanneer deze eigendomsoverdracht precies heeft plaatsgevonden, is nog niet met zekerheid vastgesteld. Het onderzoek richt zich daarom onder meer op notariële akten, hypotheekregisters en kadastrale documenten om deze ontbrekende schakel in de geschiedenis te reconstrueren.

Een schip gebouwd voor de toekomst

Uit de technische omschrijving blijkt dat de Maria een stalen klipperschip was. Latere registraties beschrijven het schip als een stalen motorklipperschip met:

  • een ruim laadruim;

  • een vooronder;

  • een machinekamer;

  • een woonroef;

  • een stuurhut.

De geregistreerde afmetingen bedroegen uiteindelijk:

  • lengte: 35,78 meter;

  • breedte: 5,02 meter;

  • inzinking: 1,86 meter;

  • waterverplaatsing: 208,54 ton.

Deze afmetingen maakten het schip geschikt voor een breed scala aan vrachten. Tegelijkertijd bleef het compact genoeg om ook kleinere vaarwegen te kunnen gebruiken.

De eerste hermeting

Op 22 maart 1917 werd het schip opnieuw officieel gemeten.

De beschikbare registratie vermeldt een hermeting, maar geeft op zichzelf nog geen volledige verklaring voor de aanleiding. Zulke hermetingen konden plaatsvinden na technische wijzigingen, administratieve aanpassingen of veranderingen in de meetvoorschriften. Verdere documentatie hierover wordt nog onderzocht.

Wel laat deze registratie zien dat het schip ook enkele jaren na de bouw nog nauwkeurig door de Scheepsmetingsdienst werd gevolgd.

Een schip met meerdere namen

Een van de meest interessante ontdekkingen uit het onderzoek is dat het schip gedurende zijn leven verschillende namen heeft gedragen.

De oudste bekende naam is:

Maria

Later verschijnt in de archieven:

Jansje

Nog later wordt hetzelfde schip geregistreerd als:

Luctor

De koppeling tussen deze namen wordt mogelijk gemaakt door het steeds terugkerende brandmerk 22 B Midd 1927 en de opeenvolgende meetnummers:

  • Zb816N

  • R13463N

  • R22719N

  • R38484N

Daardoor kan de geschiedenis van één schip over meer dan zestig jaar worden gevolgd, ondanks de verschillende namen waaronder het voer.

Het begin van een langdurige geschiedenis

Toen de Maria begin 1912 van de helling gleed, kon niemand vermoeden dat dit schip meer dan een halve eeuw later nog steeds in officiële registraties zou voorkomen. Gedurende zijn bestaan veranderde het schip van eigenaar, kreeg het nieuwe namen, onderging het technische aanpassingen en bleef het actief deelnemen aan de Nederlandse binnenvaart.

Voor de familie Jongman begon het verhaal pas later. Toch vormt juist deze eerste periode de basis van alles wat daarna zou volgen. Dankzij de combinatie van originele meetbrieven, registraties en familiearchief wordt deze vroege geschiedenis stap voor stap zichtbaar en krijgt de Maria – later Jansje en uiteindelijk Luctor – opnieuw een plaats in de geschiedenis van de Nederlandse binnenvaart.